Over horen, zien en zwijgen

1993: april grossiert in mooie dagen, mei blijft niet achter, juni doet naar hartelust mee ... en ja hoor, daar duiken ze weer op, de kenners die beweren dat het allemaal door het broeikaseffect of El Niño komt en daar meteen de voorspelling aan vastknopen dat de zomer van 1993 warm en zonnig zal worden.
Dan komt juli, de maand waarin we - naar sommige weer-presentatoren durven te beweren - 'recht hebben' op 75 millimeter regen. Maar de atmosfeer stoort zich niet aan vermeende rechten, al helemaal niet aan die van Nederlandse vakantiegangers. Het regent veel en lang en vooral dat laatste hakt er in. Dus gaan de media massaal te rade bij iedereen die pretendeert enige weerdeskundigheid te bezitten, en dat zijn er in ons zompige vaderland al gauw een miljoen of veertien.

In het land der weervoorspellers lopen heel wat vaklieden rond maar het aantal beunhazen liegt er ook niet om.
Het antwoord op de vraag "Hoe weet je als consument dat je met een serieuze beroeps-beoefenaar van doen hebt?" is niet altijd eenvoudig te geven maar soms scheiden de bokken zich zelf van de schapen. De regens van juli werden door enkele weerlieden tenminste dankbaar aangegrepen om hun ondeskundigheid nadrukkelijk uit te venten.
Een eenvoudige lakmoesproef die een eerste schifting kan aanbrengen is de wijze waarop de beweerde deskundige antwoord geeft op de volgende twee vragen:
 Vraag 1: Waarom regende het in Nederland in juli zoveel en zo lang?
en Vraag 2: Wat voor weer zal de komende maand (het komende seizoen, de kerstdagen) ons brengen?
Komt op vraag 1 een gedetailleerd antwoord met sluitende verklaringen dan weet je zeker met een publieksgeilneef te maken te hebben die we namens de NVBM maar snel de schriftelijke cursus 'Leer de atmosfeer kennen' in duizend wekelijkse afleveringen cadeau moeten doen.
Geeft de persoon in kwestie zelfs maar de schijn van een antwoord op vraag 2 dan is er helemaal geen discussie meer nodig: hier spreekt een oplichter.

Een meteoroloog die zijn vak verstaat zal zich niet laten verleiden tot een simpele verklaring voor uitzonderlijk weer omdat hij weet heeft van de intrinsieke grilligheid en buitengewone complexiteit van natuurlijke processen.
Een meteoroloog die zijn vak verstaat weet dat hij over het weer van drie tot vijf dagen vooruit slechts in algemene termen kan spreken. Verstrekt hij op dinsdag een -verwachting voor het weekend met per dag het aantal uren zon, de temperatuur op twee graden en de wind op drie knopen nauwkeurig dan wordt het tijd dat onze beroeps-codecommissie zich er eens over gaat buigen.
Een meteoroloog die zijn vak verstaat weet dat hij over het weer van 6 tot 10 dagen vooruit zijn mond moet houden. Doet hij dat niet dan dient hij spoorslags geroyeerd te worden. Gebeurt dat niet, dan royeer ik mijzelf.

In een geschrift van het ECMWF lees ik:
Giving too confident forecasts will in the long run undermine the public's confidence in our profession.
Spreekt mij zeer aan, zo'n uitspraak. Beloof niet meer dan je kunt waarmaken!

Maar jezelf die beperking durven opleggen is soms een hele toer.

PS: Dat een mediarubriek die pretendeert het kijkvolk serieus te informeren over wat er in de wereld gaande is, zonder tegenspraak een charlatan ten tonele voert, mag ons overigens ook wel eens tot nadenken stemmen.


Hoofddorp, 7 augustus 1993



Terug naar Overzicht Titels


pagina gewijzigd op 11 mei 2000