Ik ben gezegend met twee wolken van dochters. (Mensen die zeggen "Ik
heb twee kinderen" verdienen het met argwaan te worden bekeken.) De oudste
lijkt in nogal wat opzichten op mij: type duursporter; moeilijk op gang
komend maar eenmaal de vaart erin lang doorgaan zonder je af te vragen
wat het nut van je inspanningen is. Aldus hoopt ze binnenkort haar universitaire
studie af te ronden.
De jongste is van een ander slag, sneller, meer liefhebber van het
kortere werk, lijkt minder op mij.
Dacht ik.
Tot ook zij zich universitair ging bekwamen.
O zeker, zij deed het goed, maar het duurde niet lang of ze kwam tot
de ontdekking dat de Verlokkingen der Wetenschap haar toch niet blijvend
zouden kunnen bekoren: teveel vastbijten in een te beperkt deel van het
feest dat LEVEN heet.
Ze lijkt dus toch meer op mij dan ik dacht.
Een rustige late dienst op zondag: de afnemers van ons produkt vieren
het vrije weekend, de atmosfeer maakt zich op voor een weekje stabiel voorjaarsweer,
ik vermaak me ouderwets met het analyseren van een grondkaart.
En plots overvalt me een groot gevoel van respect voor die briljante
geest die bedacht dat de hoogte van een draadje kwik in een dunne buis
je iets zou kunnen leren, dat je dergelijke metingen kunt rubriceren of
op een vel papier kunt schrijven, dat je daarmee een model kunt construeren
met hoogten en diepten en dat er aldus iets te zeggen valt over het weer
van morgen.
Ongelooflijk.
Zoiets zou me nooit gelukt zijn; ik heb ook nooit een regenmeter in
mijn tuin gehad, vraag me soms af of het weer me wel interesseert maar
accepteer wel dankbaar de resultaten van het werk van grote meteorologen,
gebruik schaamteloos de uitkomsten van hun speurwerk en breng hen nederig
hulde.
Zoals Hans Neuberger -meteoroloog, medewerker van Penn State University-
bij voorbeeld. In 1970 publiceerde hij de uitkomsten van een speurtocht
door een groot aantal musea in Europa en de VS. Hij bekeek 12.000 (twaalfduizend)
schilderijen 'with respect to various meteorological and other weather-related
features'. (Weather Vol 25, 1970)
Wat een monnikenwerk.
Ik stuitte op Neuberger bij de voorbereiding van een lezing, in een
onbewaakt moment van overmoed toegezegd, over het Weer in de Kunst.
Dat er zoveel interessants is onderzocht, uitgespit, opgedolven, beschreven.
Nogmaals: ongelooflijk.
In het kader van bovengenoemde lezing viel het plankje poëzie uit mijn boekenkast. Drieduizendzevenhonderdachtennegentig gedichten heb ik sindsdien herlezen en in zevenhonderddrieënzestig daarvan speelt het weer een min of meer prominente rol.
Ik moet die andere achtduizendvijfhonderdzesendertig er ook nog eens
op na lezen.
PoëzieVoor wat ik nu zit te doen
weet ik geen verklaringZou een man alleen op een eiland
zon en honger
de behoefte voelen
om een krant te maken?Zo schrijf ik eerst het weerbericht
en lees het dan
en verdomd als het niet waar is:
soms komt het uit!Remco Campert