'Bescheidenheid siert de mens' leerde ik als klein jongetje.
Hedendaagse markt- en zakelijkheidsgoeroes hebben dus niet veel op
met de gesierde mens want als je hun dogma's moet geloven dan kom je met
een bescheiden levensinstelling niet zo bijster ver. Nee, het gaat er in
deze moderne tijden vooral om dat je zorgt met de neus vooraan te staan,
snel te reageren, aan de weg te timmeren, op te vallen, reclame te maken,
de indruk te wekken dat je iets te bieden hebt ook al is dat iets niet
meer dan lucht, wind van leer of overig atmosferisch gedruis.
Het moge duidelijk zijn dat ik
a. op leeftijd begin te geraken
b. een ambtenaar en
c. ongeschikt voor de handel ben.
En toch ben ik redelijk gelukkig.
Hoewel... dat geluk wordt soms danig op de proef gesteld als ik hoor
hoe collega-meteorologen op iedere vraag die ze voorgelegd krijgen een
snel, snedig en afdoend antwoord hebben.
Misschien is het wel jaloezie, zou ik ook die tomeloze zekerheid en
dat spetterende zelfvertrouwen willen hebben, overal een antwoord op, voor
geen enkel gat te vangen hoewel atmosfeer en filosoof ons telkenmale inpeperen
dat verschijnselen niet zo eenduidig, samenhangen niet zo eenvoudig en
causaliteitsbegrippen menselijke illusies zijn.
Hoe komt een mens aan zijn opvattingen over de wereld om zich heen?
Even terug in de tijd.
Vochtige uitwaseming der aarde -leert Aristoteles in zijn Meteorologica-
is de veroorzaker van regen, droge uitwaseming de bron en de natuurlijke
substantie van lucht. Wind is lucht in beweging, een beweging die het krijgt
overgedragen van de hemelse sferen.
Filosofisch gesproken houdt deze opvatting eeuwen stand.
In 1778 komt J.F. Martinet, Meester der Vrye Konsten, Doctor in de
Wysbegeerte, Lid van de Hollandsche en Zeeuwsche Maatschappyen der Weetenschappen
te Haarlem en Vlissingen, en Predikant te Zutphen in zijn Katechismus der
Natuur met de volgende verklaring:
wind ontstaat uit
"het breeken van 't Evenwigt der Lucht, by voorbeeld, wanneer
eene streek der Lucht, door de Zon verwarmd, of door eene andere oorzaak
verdund en uitgezet is, dan schiet een koud deel der naby zynde Lucht derwaards,
en men verneemt dan den Wind".
Hij voegt er aan toe:
"Gy moet egter niet denken, dat wy de juiste plaats, waar den
Wind in den Dampkring gebooren wordt, naauwkeurig kennen".
Martinet komt met deze verklaring voor het ontstaan van de wind aardig
in een richting waarin wij ons -meteorologen/verlichte laat XXste eeuwers,
beroepshalve bestrijders van onzekerheid- kunnen vinden.
Wij zijn nu zelfs zo ver dat we weten waar de wind geboren wordt.
Maar weten we echt meer?
"Een opstekend windje bracht enige verkoeling. De bomen zwaaiden
vrolijk heen en weer. De vrouw van de filosoof dacht dat die bomen uit
zichzelf waren begonnen te zwaaien en dat daardoor nu wind ontstond. De
filosoof lachte, waarop zijn vrouw uitgelegd wilde hebben waarom hetgeen
zij zei, fout was.
Ik dacht diep na en zei, dat als er geen bomen zwaaiden -en zelf
ben je natuurlijk wat dat betreft hetzelfde als een boom- je op geen enkele
manier kon zien dat het waaide, en dus waaide het dan niet. Ze had gelijk."
Gerrit Krol: Over het huiselijk geluk en andere
gedachten, Amsterdam, 1978 (tweehonder jaar na Martinet.)
Nog een citaat van Martinet:
"Weest verzekerd dat wy nimmer eene volmaakte Kennis van alle natuurlyke dingen krygen zullen. Dit zich te laaten voorstaan is roekeloos, een teken van een waanwys en onbeschaamd gemoed dat ik niet gaarn in iemand ontdekke".
Ofwel, hoe waaien de wimpels al heen en al weer?
Bilthoven, 18 november 1996