In het bezit van een diploma HBS-b (wie weet vandaag de dag nog waar dat schooltype voor stond?) en een voltooide opleiding Stuurman GHV met heel wat goniometrie, stromingsmechanica en boldriehoeksmeting in het pakket, zou je verwachten dat je met hogere wiskunde aardig uit de voeten kunt. Niet dus. Tijdens de VVOM (nokkerstiene, wat word ik oud) bezorgde de vergelijking
me een acute aanval van formulefobie. Toen de docent daarbij ook nog
eens opbeurend vermeldde dat je het bedrijven van meteorologie zonder begrip
van de omega-vergelijking wel kunt vergeten en met name inzicht in het
verschijnsel vorticiteit onontbeerlijk is, ging mijn screensaver op zwart.
Angstzweet, bonkend hart en klamme handen. Hoe graag ik ook toe wilde treden
tot het leger der wiskundig onderlegde meteorologie-bedrijvers, voor mij
bleven de formules duistere symbolen uit een onbegrepen religie. Totdat
de docent -die mijn verwilderde blik moet hebben opgemerkt- me geruststelde
met: "Ach joh, vergeet de wiskunde, stel je bij vorticiteit simpelweg een
kurkentrekker voor. Draai de kurkentrekker linksom en hij gaat omhoog;
draai hem rechtsom en hij gaat omlaag". Daarop ging mijn licht weer aan.
Uiteindelijk ben ik zelfs nog heel aardig terecht gekomen.
De eerste keer dat ik van ‘morfogenetische velden’ hoorde was in 1983.
Ik weet ook nog de plek waar dat plaatsgreep: het Vormingscentrum der Woodbrookers
in Barchem. Tijdens een korte pauze tussen slopende rollenspelen, waarin
harde confrontaties met de directie werden geoefend, en nog slopender nachtelijke
nazitten met veel drank, kwam ik op de leestafel een tijdschrift tegen
met daarin een artikel over de Engelse bioloog Rupert Sheldrake. In de
inleiding van dat artikel een citaat uit Nature: "Sheldrake is de beste
kandidaat sedert jaren om verbrand te worden". De New Scientist daarentegen
was heel wat positiever. Dat blad noemde drie redenen waarom Sheldrake’s
theorie over morfogenetische velden wel degelijk aandacht verdiende: de
eerder gebleken wetenschappelijke reputatie van Sheldrake, het feit dat
zijn hypothese aan de criteria van wetenschappelijkheid voldoet, en de
conclusie dat de Newtoniaanse wetenschap gebaseerd is op een veronderstelling
die zelf niet wetenschappelijk is.
Na die eerste kennismaking verdwenen de morfogenetische velden uit
mijn gezichtsveld. Ik ben geen bioloog, al helemaal geen wetenschapper,
en andere, dringender zaken schreeuwden om mijn aandacht.
Tot eind ‘92. Toen zond VPRO-tv de serie ‘Een schitterend ongeluk’
uit; en wie herrees daarin uit zijn as? Jawel, Rupert Sheldrake. In de
laatste uitzending van die serie, waarin de verschillende gespreksdeelnemers
met elkaar op de wetenschappelijke vuist gingen, bleek al snel dat de meeste
wetenschappers nog steeds met graagte Sheldrake op de brandstapel zagen
fikken. Ik volgde de discussies geboeid, koos op gevoelsmatige gronden
de kant van Sheldrake, maar had onvoldoende geestelijke bagage om dat gevoel
met wetenschappelijk verantwoorde argumenten te onderbouwen.
Iets vergelijkbaars overkwam me toen Isentropische Potentiële
Vorticiteit mijn meteorologische wereld binnenzeilde.
"Ik voel aan mijn water dat je met IPV iets interessants bij de kop
hebt, maar wat betekent het?" (vrij naar H. van Dorp - Meteorologica, oktober
1997). Wim Verkley c.s. probeert me ervan te overtuigen dat een moderne
meteoroloog niet zonder kan, Anders Persson, een in de operationele praktijk
gepokt en gemazelde Zweedse ECMWF-wetenschapper, vindt het gedweep met
IPV maar humbug.
Och arme, wat moet een eenvoudig operationeel meteoroloog met zulke
tegenstrijdige informatie??
Toen ik de sprekerlijst van het NVBM-congres onder ogen kreeg, zag ik
daarop de naam van Eddy Carroll prijken.
"Hé, leuk. Misschien kan die ons tips geven hoe je, in een wereld
waarin atmosfeermodellen steeds beter worden, als operationeel meteoroloog
toch iets toe kunt voegen aan automatisch gegenereerde verwachtingen".
Helemaal gerust was ik er niet op, want uit de literatuur wist ik dat
in Carroll’s bijstuurmethode een belangrijke rol is weggelegd voor Potentiële
Vorticiteit. (Jawel hoor, daarissie weer!)
Mijn vrees bleek ongegrond, sterker, zijn antwoord op een vraag uit
de zaal opende mijn ogen: "Nee, in mijn methode hoeft de weerkamer-meteoroloog
niet met PV te rommelen. Hij is gewend te werken met fronten en drukvelden.
Daarmee kan hij manipuleren; laat hem de depressie maar 10hPa dieper maken
of een front 100 km oostelijker leggen. De op PV gebaseerde bijstuurmethode
zorgt er dan wel voor dat het bijsturen van het model fysisch consistent
gebeurt".
Now we’re talking, mister Carroll! Hartelijk dank voor uw kurkentrekker.
Verklarende woordenlijst: