Toen ik als dienstplichtig huzaar mijn eerste schreden zette op de weg
die, als het allemaal mee zat (of tegen, ‘t is maar net vanuit welke positie
je ertegenaan kijkt), wel eens zou kunnen leiden tot een ‘Hij gaf zijn
bloed voor Koningin en Vaderland’, ergerde ik me vaak te pletter aan het
gedrag van sommige beroeps ‘of’sieren’, van die lui die nergens voor deugen
maar wel kans hebben gezien een stoel in beslag te nemen, daarop zijn blijven
zitten en vanzelf, na de reglementair voorgeschreven periode bevorderd
worden.
Die ene majoor in Legerplaats ’t Harde zeg. Nooit heb ik hem iets zien
uitvoeren. Ook navraag bij anderen leverde steevast hetzelfde verhaal:
“Karelse? Oh, die zit de hele dag boekjes te lezen”. Om halfnegen reed
hij zijn Opel Kadett de parkeerplaats op. Vervolgens verdween hij in zijn
kamer, waar hij om klokslag halfvijf weer uit kwam. Na het nuttigen van
zijn dagelijkse vertering (één jonge borrel) in de officiersmess,
reisde hij af naar vrouw en koters.
En zo iemand zou tijdens de veldslag verantwoordelijkheid moeten dragen
voor een heel eskadron met Centurion tanks.
Het werd me al snel duidelijk: als je maar stil je tijd uitzit en je
nek niet uitsteekt, (‘zorg vooral dat je niet opvalt’ adviseerde mijn goede
vader me vooraf), kun je het binnen de militaire hiërarchie ver schoppen.
Dat nooit, dacht ik.
En dus werd ik overheidsdienaar, bij het KNMI nog wel, ‘dat stelletje
bureaucratische ambtenaren in De Bilt dat niks van de zee begrijpt’ zoals
mijn zeevarende oom niet naliet te benadrukken.
“Ja, maar ik zit niet in De Bilt, ik werk bij Meteo Schiphol, en dat
is een heel ander slag mensen” probeerde ik schuchter, want een kapitein
van een oceaanstomer tegenspreken, nee, dat durfde ik toen nog niet. (Ik
spreek hier van begin jaren zeventig.)
Echter, hoe ouder ik word, hoe meer ik ben gaan inzien dat het niet
toevallig is dat ik ambtenaar ben, dat ik me, na jaren in de dynamische
luchtvaartwereld van Peter Stuyvesant te hebben verkeerd, zelfs in de stoffige
krochten in De Bilt prima thuis ben gaan voelen.
Al wordt soms het tegendeel beweerd, zelfs door directeuren van commerciële
weerbureaus, als ambtenaar van het KNMI doe ik wel degelijk mijn stinkende
best de beste weersverwachtingen van het noordelijk halfrond en omstreken
te maken. Natuurlijk vind ik het zuur als je aan het eind van het jaar
ziet dat een nitwittende collega dezelfde periodiek krijgt. Maar wat is
het alternatief? Dat ik, net als een vriend van me in de marktsector, om
de zoveel tijd naar mijn chef moet stappen en zeggen: “Baas, ik heb dit
jaar zo ongelooflijk hard gewerkt. Ik ben onderhand wel eens toe aan opslag”?
Wat een geluk dat er voor mij het meteorologische reservaat van de ambtenarij
is, dat ik kan verkeren tussen mensen die hun toevlucht zoeken in formele
regels, die, spreek je ze aan op hun daden, zich verschuilen achter de
brede rug van de superieur of, zelf ‘superieur’ zijnde, zich verdedigen
met: “Mijn ondergeschikten hebben me niet of onvolledig ingelicht”. Nu
kan ik als ambtenaar-meteoroloog gewoon zeggen, als ik de ontwikkeling
van een buienlijn verkeerd heb ingeschat: ”Ja, maar UKMO gaf ook helemaal
geen neerslag” of “M’n voorganger heeft dat laagje over het hoofd gezien”,
of ”De modellen spraken elkaar tegen”, of “Die lui in Den Haag doen
ook maar”.
Nee, in de commerciële marktsector zou ik niet kunnen functioneren.
Dan zou ik hard moeten werken, dan zou ik initiatief moeten tonen, creatief
moeten zijn, durf hebben, beter nog, lef, wat zeg ik, guts zou ik moeten
hebben, om zelf de verantwoordelijkheid voor mijn daden op me te nemen
en die niet op anderen proberen af te schuiven.
Toen ik tot hier was gekomen met mijn verhaal, kwam het bericht dat
in Engeland chemisch verontreinigde peren uit Nederland zijn opgedoken.
Een dag later wast de Nederlandse perenhandel zijn handen in onschuld:
“Normaal neemt de hoeveelheid groeiregelaar in de peer voldoende af onder
invloed van zonlicht en droog weer. Door het sombere en natte najaar is
dat nu niet gebeurd”.
Ofwel: de perenmarktsector geeft het weer de schuld.
Misschien moet ik mijn beeld van ambtenaren toch eens bijstellen.
Bilthoven, 11 februari 1999