“Terwijl boven mijn hoofd het huis afbrandde, hield ik me hieronder
schuil in de kelder”.
Het kost me geen enkele moeite me anno nu de situatie van toen voor
de geest te halen: de oude man staand op de resten van wat eens zijn huis
was geweest, ik, klein jongetje (op bezoek bij grootmoeder -huishoudster
van ‘d’olde boas’, zoals zij hem noemde) hangend aan zijn lippen, gefascineerd
door zijn verhalen.
’t Zal de zomer van 1955 zijn geweest.
Ik ben 8 jaar
Using field data for forecast model improvement, lees ik in de
colloquiumlijst op het publicatiebord.
‘Hé, interessant, een verhaal over het bijsturen van atmosfeermodellen
met behulp van actuele waarnemingen. Daar moet ik bijzijn’ was mijn onmiddellijke
reactie.
Even te snel en iets te slordig gelezen.
Dr. Alan Betts’ verhaal ging namelijk helemaal niet over het ‘grafisch
interacteren’ met modelvelden of over het aanpassen van tijdreeksen, zijn
presentatie was gewijd aan een omvangrijk en groots opgezet meetprogramma
in en boven de wouden van noordelijk Canada.
Toen na een lijst met relevante publicaties in zeer wetenschappelijke
tijdschriften -waarin je alles nog eens na kunt lezen en welks titels ik
ter plekke natuurlijk vergat- de ene na de andere sheet met scatterplots
van globale stralingsfluxen, van albedo’s, van latente warmtestromen en
van nog veel meer op de overheadprojector verscheen, dacht ik ‘Ho van Dorp,
je zit weer eens in een verkeerde film. Dit is niks voor operationeel meteorologen’.
Toch ben ik blijven zitten (ik kon overigens onmogelijk op een onopvallende
manier het volgepakte zaaltje verlaten) en daar heb ik waarachtig geen
spijt van gekregen. Wat mijnheer Betts te vertellen had, was zeer de moeite
waard.
Wat kwam o.a. uit zijn onderzoek naar voren? Dat aan het eind van de
winter en in het voorjaar de Canadese wouden een enorme hoeveelheid zonnestraling
absorberen (en dus warmte aan de lucht in de grenslaag afstaan). Niks albedo’s
van 80% waar de globale atmosfeermodellen mee rekenden, maar waarden die
vergelijkbaar zijn met grasland in hoog zomer. In die atmosfeermodellen
werd er tot dan toe van uit gegaan –en zo’n idiote veronderstelling is
dat natuurlijk niet- dat de bossen op hoge breedte in de winter en het
vroege voorjaar bedekt zijn met een laag sneeuw.
Nadat de uitkomsten van Betts’ metingen in het ECMWF-model waren verwerkt,
bleek de fout in de 2-meter temperatuur boven Siberië significant
kleiner geworden.
Hoe langer ik naar de spreker luisterde, hoe geboeider ik raakte. Dorre
cijfers en geestloze tabellen kwamen in zijn gloedvolle betoog tot leven,
opsommingen van op het eerste gezicht nietszeggende metingen kregen betekenis,
bleken iets te zeggen over de werkelijkheid van alledag, niet alleen over
de werkelijkheid in het verre noorden van Canada, ook over de bossen in
het Nederlandse Garderen.
Garderen…???
Na het bezoek aan mijn opoe in Putten fietste ik met mijn vader naar
huis. Op een open plek in de bossen bij Garderen rustten we even uit. Op
dat moment naderde een vliegtuigje dat zo laag overkwam dat ik de piloot
naar ons hoorde roepen: “Mooi weer hè!”
Zo is het gebeurd en niet anders; aldus staat het in mijn geheugen
gegrift.
Een kleine 45 jaar hebben de bossen in Garderen gesluimerd in mijn
geest, bestond er bij mij geen twijfel over dat daar en toen een man in
een laag overkomend vliegtuig naar ons schreeuwde: “Mooi weer hè!”
Maar kan dat wel, dat je boven het motorgeronk van een vliegtuig uit
verstaanbare woorden kunt horen roepen?
De twijfel slaat toe.
Nog meer twijfel. Vorig jaar kwam een boek uit over het onheil dat
Putten in oktober 1944 trof. In menig tv-programma deden ooggetuigen hun
verhaal over die inktzwarte periode in het laatste oorlogsjaar. Dat er
honderden mannen uit Putten zijn weggevoerd stond en staat buiten kijf,
maar hoe zit het met mijn herinnering aan het verhaal van de oude man.
Zijn er in Putten woningen opgeblazen en is het huis van mijn grootmoeder
wel echt door de Duitsers in brand gestoken? Of heeft mijn herinnering
gebeurtenissen, verhalen en fantasieën samengesmeed tot een kluwen
van werkelijkheid en fictie, van niet op feiten gebaseerde veronderstellingen
die ik tientallen jaren voor waar heb gehouden, heb ik uit het oog verloren
dat al ons weten voorlopig is, zoals Cornelis Verhoeven niet nalaat te
benadrukken.
Hoe vorm je je een beeld van de werkelijkheid? Wat weet je uit eigen
waarneming en wat neem je aan op gezag van anderen? Hoe versimpeld zijn
de modellen in je hoofd (en in de meteorologie) waarmee je de complexe
omgeving tracht te doorgronden?
Zelf op onderzoek gaan en bronnen bestuderen als de twijfel toeslaat
en je veronderstellingen beginnen te wankelen is een mogelijkheid. Verder
je er van bewust blijven dat een kaart niet het gebied is, dat je van de
wonderschoonste 3-D animatie van een cumulonimbus niet nat wordt.
En verder veel naar mensen als Alan Betts luisteren die zijn verhaal
besloot met ‘Ik heb niks tegen computers, modellen kunnen ons inzicht in
de atmosfeer geweldig verruimen, maar realiseer je dat grenslaagprocessen
heel moeilijk te parametriseren zijn. Denk niet te snel dat je weet hoe
iets zit. Blijf meten!!!”
Alsof ik mijnheer De Kwaadsteniet van het RIVM hoor.
Bilthoven, 14 mei 1999