Over schoonheid en troost
Of Meteorologica kritische lezers heeft is mij niet bekend. In de bijna tienjarige historie van dit blad ben ik er tot nu toe nooit een tegen gekomen. Met betrekking tot andere schrijfsels van mijn hand kan ik dat niet zeggen. Vooral mijn geliefde is genadeloos. Als ze al een geschrift van mij onder ogen krijgt dan weet ik bij voorbaat dat ze zal vragen waarom ik zo vaak citaten van anderen gebruik. "Denk je daarmee je tekst meer autoriteit te geven?" oppert ze fijntjes. Mijn antwoord dat ik een dweper ben en dat ik, door mooi geformuleerde zinnen van grote denkers te gebruiken, eer bewijs aan die persoon, overtuigt haar in het geheel niet. Zij heeft nu eenmaal in haar jeugd geleerd dat je altijd origineel moet zijn en dat na-aperij een doodzonde is. Dat het bij mij soms ook ordinaire gemakzucht is, zal ik tegenover haar natuurlijk nooit bekennen. Waarom mijn hoofd gebroken over een formulering als iemand anders de gedachte die ik te berde wil brengen al fraai heeft verwoord? Het is dan ook zonder schroom dat ik hier de natuurkundige Steven Weinberg ten tonele voer, Weinberg die in een van de afleveringen van de monumentale VPRO-serie Van de schoonheid en de troost het volgende zegt:
"De begrippen komen steeds verder van ons af te staan en vallen meer en meer slechts in wiskundige termen te verklaren. Een gewone natuurkundige die leeft in een wereld van botsende deeltjes kan zich haast geen natuurkundige formule voorstellen waarin ruimte en tijd niet voorkomen. Toch gaat de theoretische natuurkunde die kant op. Voor mij is dat heel moeilijk. Die wiskunde heeft mijn generatie niet geleerd, wel die van Newton en Einstein".
Ik raak daarvan soms lichtelijk gedeprimeerd, van het besef dat de snelheid waarmee nieuwe theorieën en revolutionaire ideeën op me afkomen dermate groot is dat ik het allemaal niet meer bij kan fietsen, dat de kennis en de vaardigheden die ik in de loop der jaren met veel pijn en moeite heb verworven om me in een chaotische (o. a. meteorologische) wereld staande te houden niet meer volstaat om de ontwikkelingen te begrijpen, laat staan te verklaren. Weinberg heeft daar minder last van. Die ziet reikhalzend uit naar de ontdekking van de finale theorie die de hele natuurkundige werkelijkheid beschrijft, ook al zal dat gebeuren in abstracte wiskundige formuleringen die hem boven de pet dreigen te gaan.
Een emotie die ik met Weiberg deel is de opwinding die over je komt als je geconfronteerd wordt met een theorie, een kunstwerk, een stuk muziek waarin alles klopt. In het programma van Wim Kayzer laat Weinberg de eerste maten horen van een Invention van Bach, en het raakt hem diep. Dat herken ik: een stuk muziek dat je tot tranen toe roert, een gedicht waarvan je instinctief voelt: hier is iedere frase raak, staat elk woord op de enig mogelijke en juiste plek. Beknopter, helderder, compacter kan het niet gezegd worden.
De elegante schoonheid van een theorie die het inzicht in de complexe werkelijkheid verheldert, verzoent me met het bestaan. Zo staat me nog helder voor de geest hoe opgewonden ik raakte toen ik, beginnend meteoroloog, in de cockpit van een Boeing 747 gezeten een transatlantische oversteek maakte. Dat er een westerstorm van 175 knopen stond zag je niet, noch voelde je de ijzige kou buiten het toestel, nochtans illustreerden de meters voor druk, temperatuur en wind feilloos het abstracte concept dat ik uit de meteoleerboeken kende. De theorie over de samenhang tussen temperatuur, jetstream en tropopauzehoogte bleek te kloppen als een bus, en dat ik de troposfeer ‘begreep’ en de verschijnselen kon verklaren, bezorgde me een groot gevoel van voldoening en trots.
Als een van de meest opwindende momenten van het ouderschap ervoer ik het ogenblik waarop mijn dochter binnenkwam met de mededeling: "Kijk pap, ik kan lezen!" Vervolgens duurde het niet lang of ze begon me te adviseren in welke boeken ik mij zeer beslist en liefst vandaag nog moest gaan verdiepen. Zo kreeg ik tijdens een kampeervakantie in de Dordogne Het wereldje van Beer Ligthart van Jaap ter Haar in handen gedrukt.
Inderdaad een ijzersterk boek over een blind jongetje. Samen met de Bijbel, het Verzameld Werk van Ida Gerhardt, Gerrit Krol en ‘Zen en de Kunst van het motoronderhoud’ zijn dit de vijf boeken die ik meeneem naar mijn onbewoonde eiland (+ een koffertje met de vijf mooiste cd’s).
Een citaat uit dat kinderboek:
"Weet je, Beer, ogen leiden ons vaak af van de hoofdzaken. Met onze ogen letten we op allerlei details die niet ter zake doen. We gaan af op de uiterlijkheden, terwijl die toch niet zo belangrijk zijn".
Het antwoord op de vraag waar ik al geruime tijd mijn hoofd over brak: waarmee benader je het wezen der verschijnselen beter, met je oren of met je ogen? kwam daarmee een heel klein stukje dichterbij. De vaak allesoverheersende aandacht voor de buitenkant der dingen is zo verpletterend dat wat daar achter, in en onder zit uit het zicht verdwijnt. Daarom sluit ik tijdens het beluisteren van Ein Deutsches Requium de ogen en ontrollen zich voor mijn geestesoog de meest fraaie beelden als ik de stem van Tanita Tikaram hoor.
Muziek, gesproken woorden, fraaie gedachtenspinsels, abstracte concepten, ze verschaffen me veel inzicht, in mezelf, in de wereld om me heen.
Met beelden heb ik dat minder.
Dacht ik.
Tot ik onlangs na een nachtdienst naar huis fietste.
Na vierentwintig uur van aanhoudende regen en veel wind zijn in de voorbije nacht de regens gestopt en is de bewolking gebroken. Windstil, de zon komt op, stilte.
Enigszins suf van de slaap rijd ik het bos in. Zie ik het rimpelloze, spiegelende water van het Biltse Meertje. Op de oever, schemerend door dikke banken grondmist, een ree en een reiger. De eerste zonnestralen door de nog kale bomen zetten de wereld in een gouden gloed.
Zondagochtend, kwart over zeven: het verloren paradijs waar ik vanaf het moment dat ik de jaren des onderscheids bereikte altijd naar op zoek ben gebleven, openbaart zich voor een eenvoudig meteoroloog! Ter plekke begrijp ik het universum.
Of beelden ook kunnen troosten.
Bilthoven, 20 februari 2000
Terug naar Overzicht Titels
pagina gewijzigd op 11 mei 2000