Zo maar een greep uit de familie der grassen:
windhalm, smele, kweek of spelt
kropaar, dravik, eenkoorn, gerst,
langbloem, kortsteel, helm en struis,
zegge, witbol, haver, duist.
De moderne randstedeling kent maar één soort gras (en dat is groen, groeit in de wei en niet in de Arena).
De gemiddelde Amsterdammer ziet slechts twee soorten vogels: sijsies en drijfsijsies. Een beetje vogelaar daarentegen weet alleen in Nederland al gauw zo’n 150 soorten te onderscheiden.
Koop een nieuwe auto en overal om je heen zie je het zojuist gekochte type rijden.
Het blijft me intrigeren: je ziet pas wat als je geleerd hebt te kijken en weet waar je naar moet kijken.
Kun je kijken automatiseren?
Het ligt er aan in welke context je het begrip 'kijken' beschouwt. Gaat het om ‘kijken’, om ‘zien’, om ‘waarnemen’? De verantwoordelijk directeur voor het Nationaal Meteorologisch Netwerk zal antwoorden: "Natuurlijk kun je de waarneming automatiseren. Kijk maar hoe goed de automatische waarneemstations tegenwoordig functioneren. Zo'n automaat levert een schat aan informatie, veelal uit gebieden waar weinig of geen andere gegevens van beschikbaar komen!"
Het grote nadeel van die automaten is dat de informatie eendimensionaal is. Ik bedoel, iedere boodschap heeft twee aspecten: een inhouds- en een betrekkingsaspect. Over objectivering van de inhoud kun je het nog redelijk met elkaar eens worden, maar hoe zit het met het betrekkingsaspect, de nachtmerrie van de bouwers van expertsystems?
Waar ik ook een bloedhekel aan heb… dat is aan wereldwijze landgenoten die beweren dat je voor goede boeken naar het buitenland moet, dat er in Nederland geen Literatuur wordt geschreven. Terwijl ik zo een handvol Nederlandse schrijvers kan opnoemen die -schreven ze in het Engels- de wereld zouden veroveren. Of Hermine de Graaf daar toe behoort, weet ik niet. Haar 'Een kaart, niet het gebied' heb ik nog steeds niet gelezen. Dat het desondanks op mijn lijstje ‘Nog-aan-te-schaffen’ blijft staan, komt door de titel. Prachtig vind ik die. Roept sterke associaties op met mijn werk als meteoroloog.
Soms heb je van die dagen dat de weerkamerdienst vlekkeloos loopt, de automaten naar behoren functioneren en de waarnemingen naadloos aansluiten bij het model. ‘Alles in de hand, alles onder controle’ denk je dan. Op zo’n moment maant Hermine de Graaf je tot bescheidenheid en tot oplettendheid, is het zaak je te realiseren dat je naar een beeldscherm kijkt en niet naar de atmosfeer.
"De wetenschap" zegt Umberto Eco "is uiteindelijk niet in staat de werkelijkheid te beschrijven zoals ze is. Daartoe zou ze zelf geheel met die werkelijkheid moeten samenvallen, als een landkaart met een schaal van 1:1".
Hermine de Graaf zegt hetzelfde, maar mooier, geconcentreerder.
De taal van de weerkaart bestaat, net als iedere taal, uit 'woorden'. Woorden zijn symbolen. Ze staan ergens voor. Ze hebben een betekenis. In de wiskunde betekent º 'is gelijk aan, is synoniem met', in de meteorologie staat het voor 'mist, bovenlucht onzichtbaar'.
Een swastika (van svasti - Sanskriet voor welzijn, voorspoed) op een dravidische tempel heeft behalve het symbool geen enkele relatie met de getatoeëerde kale kop van de voetbalvandaal.
De context verleent aan het symbool zijn betekenis.
Waar ik steeds meer moeite mee krijg is
a. te weten waar ik naar moet kijken
b. de symbolen te begrijpen.
Een ding weet ik wel: wìj zijn het die betekenis aan de symbolen toekennen en dat doen we op grond van onze ervaring. Ervaring is gestoeld op waarneming (daar heb je hem weer) en door die laatste kun je je soms duchtig in de luren laten leggen.
Hoe je ook je best doet, welke ervaring je ook hebt met waarnemen, soms tovert je waarneemsysteem je een illusie voor.
Een meteoroloog weet dat!?
Bilthoven, 11 november 2000