Hoewel in het proefschrift eveneens wordt aangetoond dat het gevoel voor humor van een man anders is dan dat van een vrouw, deel ik gelukkig met de vrouwen in mijn directe omgeving wel de liefde voor Oboema. (Op gezag van Kuipers behoeft die naam voor u, hoger opgeleide lezer, geen nadere toelichting.) Van mijn dochter kreeg ik een hele videoband vol met de onnavolgbare ruzies die hij met partner José uitvecht. Genieten meneertje! Dat je op zo een manier zo liederlijk kwaad kunt worden. Ik wou dat ik dat kon, ben daar stikjaloers op, helemaal op dinsdag 9 januari 2001, als ik – zoals iedere ochtend wanneer ik niet al voor dag en dauw in regen, wind en kou het huis heb verlaten teneinde de Nederlandse samenleving van weerberichten te gaan voorzien – de krant uit de brievenbus haal, hem opensla en als eerste lees:
Zeven doden door gladheid
KNMI waarschuwde niet
Tot dinsdag 9 januari 2001 was ik een twijfelaar, altijd in de weer met de vraag 'Is dit het nou? Had ik niet een ander vak moeten kiezen? Ben ik wel een goede meteoroloog?'
Het openslaan van de krant van 9 januari maakt aan al mijn twijfel en gedelibereer een einde. In een alles verblindende flits wordt me de keiharde waarheid geopenbaard: ik HEB het verkeerde beroep! Niet de van onzekerheden en onvoorspelbaarheden aan elkaar hangende atmosfeer had ik als goudmijn moeten aanboren, nee, ik had koppenmaker bij de krant moeten worden; hoef je je niet druk te maken over nuances, niet na te denken over de waarheid, breng je het meest ingewikkelde probleem terug tot een kreet die nergens op slaat.
En toen ontwikkelde zich een boosheid waarbij die van José verbleekt!
In de nacht van zondag 8 op maandag 9 januari heb ik hoogstpersoonlijk al voor 02.30 uur de eerste waarschuwing voor gladheid de deur uit doen gaan, hoe laat de collega's in den lande daar precies mee waren heb ik niet nagevlooid, feit is dat heel ver voor de gemiddelde Nederlander tot het besef kwam dat de ochtendstond goud in de mond heeft en op weg ging naar zijn werk, via alle kanalen die daarvoor beschikbaar zijn, gesproken werd over en gewaarschuwd voor gladde wegen.
Waar komt in de media in 's hemelsnaam toch die zwarte-piet-reflex vandaan, die gedreven drang bij het minste of geringste dat afwijkt van de routine alles en iedereen een microfoon onder de neus te duwen en de onontkoombare vraag te stellen: wie moeten we de schuld geven?
Soms gaat mijn verwachting de mist in. Als dat gebeurt omdat ik niet heb opgelet, heb zitten suffen of cruciale waarnemingen over het hoofd gezien, mag iedere journalist me ter verantwoording roepen en met pek en veren overgieten. Iets anders is als ondanks het aanboren van alle beschikbare informatiebronnen en het in stelling brengen van de meest geavanceerde hulpmiddelen de atmosferische ontwikkelingen anders lopen dan ik had ingeschat. Kritiek daarop leg ik naast me neer. Ik ken mijn beperkingen, heb weet van de grillige grootsheid van de natuur en schiet in de lach als ik pedante baasjes in moeilijkheden zie komen die denken de natuur onder controle te hebben en hun wil te kunnen opleggen.
Pardon..?? Jij kritiek naast je neer leggen? Jij lachen?
Grietverschramme, laaiend word ik als ik zie hoe die mediawezens zonder enige kennis van zaken en te besodemieterd om zich in achtergronden te verdiepen aan een half woord genoeg denken te hebben om een oordeel uit te spreken en in naam van het volk de beschuldigde aan de schandpaal te mogen nagelen.
Ik mag dan een hogere beroepsopleiding hebben gevolgd, mijn gevoel voor humor is terstond zoek als ik geconfronteerd word met dat genre mediamuskieten dat slechts op zoek is naar slachtoffers waar ze hun ziekmakende legboor in kunnen steken.
Ik mag dan een aartstwijfelaar zijn, na meer dan dertig jaar meteorologie weet ik een ding heel zeker: de atmosfeer zit ingewikkeld in elkaar en de waarheid daaromtrent openbaart zich niet aan oppervlakkige beschouwers.
En nu ga ik video kijken.
Bilthoven, 26 februari 2001