Overpeinzingen bij de taak van het KNMI en het missen van een weeralarm.
Je zou het kunnen vergelijken met de paukenist van een amateur-orkest.
In september beginnen de repetities voor het nieuwe seizoen. Maanden lang oefenen, steeds opnieuw de moeilijke passages doornemen. Een avond per week, van half 8 tot 10, stap voor stap in de huid van de componist kruipen.
De kalender wijst al midden december als het voor het eerst ergens op begint te lijken. Het allegretto cantabile en het menuetto klinken inmiddels redelijk, het allegro di molto vereist nog de nodige aanscherping maar het andante behoeft nog aanzienlijke verbetering. Nog harder wordt er geoefend, nog gedrevener gerepeteerd.
Het wordt voorjaar en onverdroten gaan de musici door. Nog zes maanden te gaan. Het moet lukken!! En weer zetten ze zich aan het lastige slotdeel en weer zit een ieder op het puntje van zijn stoel om het deze keer nu eens helemaal goed te doen.
De zomer nadert, de hitte komt. Terwijl de terrassen in de stad tot diep in de nacht vol zitten, zwoegen de orkestleden door. In hemdsmouwen en wijde jurken nemen ze plaats achter hun lessenaars, luisteren ze geconcentreerd naar de aanwijzingen van de dirigent, zijn ze een in hun wil iets groots tot stand te brengen. De violisten deppen tijdens de drie maten rust hun kin, de fagottist wuift zich even koelte toe, de fluitisten wrijven hun vingers in met magnesiumpoeder. Alleen de paukenist komt goed weg. Hij heeft niet veel te doen, maar wat hij moet doen, moet hij wel goed doen. Op hem komt het aan in het slotdeel. Daar moet hij op het juiste moment zijn doffe klappen uitdelen.
Als de uitvoering dichterbij komt, wordt het aantal repetities opgevoerd tot 3 avonden in de week, in de laatste week voor het concert zit het orkest zelfs iedere avond al om 7 uur startklaar. Tot bij elven wordt er keihard gewerkt. De zenuwen worden heviger, de spanning stijgt. Steeds opnieuw tikt de dirigent af, steeds opnieuw worden er laatste puntjes op laatste i’s gezet.
September een jaar later, dag van de première. Vanaf half 8 loopt de stadsgehoorzaal langzaam vol. Lange jurken, beschaving, smokings, verwachtingsvol geroezemoes. Feest.
Even voor achten beklimmen de musici het podium. De concertmeester geeft haar teken en daar reeds zet de hobo de toon. De eerste violen nemen over, de tweede, daarna de klarinetten en de hoorns, de fluiten. De paukenist zet zijn gereedschap op scherp, stoelen worden iets verschoven, kelen geschraapt. Dan zijn alle voorbereiding getroffen en daalt een gewijde stilte neer, zwanger van gespannen verwachting. Als de dirigent verschijnt, klatert het applaus welwillend op. Een enkel lid denkt "wacht eerst maar eens tot we hebben gespeeld".
De dirigent heft zijn stok, wacht een seconde om de concentratie optimaal op te voeren en zet dan de eerste maat in. Als aan een touwtje volgt het orkest, als een schaduw, een gedisciplineerde zwerm spreeuwen. De betovering van een orkest in opperste concentratie deelt zich mee aan de zaal. De toehoorders raken gebiologeerd en de uitvoerenden spelen hun spanning weg, denken niet meer aan wat er tijdens de repetities allemaal mis ging en zijn in de ban van de door henzelf voortgebrachte klanken.
Dan komt de finale, dan komt de ontlading van de spanning in het slotstuk. Hier hebben ze zich op gericht, hier zal de grote slag geslagen worden, nu worden de vruchten van een jaar lang inspanning geoogst, nu kan de paukenist eindelijk bewijzen waar hij voor staat.
En op dat moment slaat het noodlot toe.
Twee tellen voor de paukenist met zijn dreunende roffel de beslissende passage zal inzetten, landt er een mug op zijn neus. Weg is zijn concentratie, verdwenen zijn blik op de dirigent. Die kan zwaaien wat hij wil maar de paukenslag waar iedereen op zit te wachten, waar de hele symfonie naar toe werkt, waar de zaal al vanaf 8 uur met verlangen naar heeft uitgezien en waar de orkestleden zich een jaar lang de grootste inspanningen voor hebben getroost, blijft uit....
Waarna het publiek in boe-geroep uitbarst en het zwartepieten kan beginnen. De bezoekers eisen hun geld terug bij de schouwburgdirecteur, het raadslid van Lokaal Belang stelt in de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad de subsidie aan het orkest ter discussie, de wethouder weigert een standpunt in te nemen want hij heeft nog geen officieel rapport ontvangen van zijn ambtenaar, de recensent van Het Laatste Nieuws schrijft een vernietigend stuk over de dirigent, de dirigent scheldt het orkest verrot, de leden van het orkest voelen zich voor paal staan en wijzen naar de paukenist, de paukenist schuift zijn verantwoordelijkheid af op de mug.
En de mug.......?
Bilthoven, 21 november 2001